kWh, kW en m³ uitgelegd
Op je energierekening staan stroom in kWh en gas in m³. Wie die eenheden begrijpt, kan zelf narekenen wat een apparaat of een douchebeurt kost.
Vermogen: watt en kilowatt
Vermogen zegt hoeveel energie een apparaat per moment gebruikt. Het wordt gemeten in watt (W). 1 kilowatt (kW) is 1.000 watt. Een lamp van 10 W gebruikt per moment minder dan een waterkoker van 2.000 W (2 kW).
Energie: kilowattuur
Hoeveel energie je in totaal verbruikt, hangt af van het vermogen én van de tijd. Daarvoor gebruik je de kilowattuur (kWh): 1 kW gedurende 1 uur.
- kWh = vermogen in kW × aantal uren
- kWh = vermogen in W ÷ 1.000 × aantal uren
Voorbeelden: 2.000 W gedurende een half uur is 2 × 0,5 = 1 kWh. 10 W gedurende 100 uur is ook 1 kWh. Je betaalt per kWh, dus die twee kosten evenveel.
Let op het verschil tussen kW en kWh: kW is een snelheid (zoals kilometer per uur), kWh is een hoeveelheid (zoals kilometers).
Gas: kubieke meter
Gas wordt gemeten in kubieke meter (m³): het volume dat door je gasmeter stroomt. Je betaalt leveringstarief en energiebelasting per m³. In huishoudens wordt gas vooral gebruikt voor verwarming, warm water en koken. Daardoor is het gasverbruik in de winter veel hoger dan in de zomer.
Netto en bruto stroomverbruik
Met zonnepanelen heb je twee soorten stroom: wat je van het net afneemt en wat je teruglevert. Netto verbruik is afname min teruglevering. Tot en met 2026 betaal je door salderen alleen over het netto verbruik; zie salderingsregeling.
Van eenheden naar euro's
Kosten = aantal eenheden × prijs per eenheid. Gebruik daarvoor de prijs inclusief energiebelasting en btw. Hoe je die berekent, staat op prijs per kWh en m³.
Inhoud gecontroleerd op 26 september 2026.